Ton Lemaire : Wandelenderwijs; sporen in het landschap

In dit schitterende boek Ton Lemaire, filosoof en antropoloog met een goede kennis van geschiedenis, dier- en plantenkunde, plus heel veel wandelervaring in heel diverse omgevingen, neemt ons mee op sommige van zijn meest memorablele wandelingen. En dat niet alleen in de zin van het beschrijven van de fysieke wandelingen (al doet hij dat ook, en vaak op een heel interessante en vermakelijke manier), maar ook, wat veel interessanter is, neemt hij ons mee op zijn ‘gedachtenwandelingen’ die ons soms heel ver weg leiden van de tijd en plaats waarin de auteur zich op dat moment bevindt: terug in de tijd en naar de gebieden van cultuur, geschiedenis en filosofie. Het resultaat is een verzameling intelligente essays die ons interessante en vaak belangrijke dingen te vertellen hebben.

Zijn schrijfstijl is zeker niet slecht, al zal hij er waarschijnlijk geen literaire prijzen mee winnen. Maar daar gaat het hier niet om. Dit boek is een plezier om te lezen, en gaf mij regelmatig zin om zelf te gaan wandelen in plaatsen (zoals Lapland en de Dordogne) waar ik anders nooit op het idee was gekomen om erheen te willen gaan! Niet dat ik het altijd 100% eens was met alles dat ik las. In het bijzonder in hoofdstuk X Open plekken vond ik meer dan genoeg om oneens mee te zijn, al kon ik over het algemeen Lemaire zijn standpunten heel goed waarderen.

Ondanks het feit dat Ton Lemaire als filosoof bekend staat, vond ik weinig of niets in dit boek dat ik ‘filosofie’ zou willen noemen. Als ik het hier over ‘filosofie’ heb, dan bedoel ik echte filosofie, in de traditie van Plato, Descartes en Bertrand Russell: het stellen van vragen en het proberen die vragen zo goed mogelijk te beantwoorden. Nee, dat is hier niet te vinden, en dat is geen enkel probleem! Toch lijkt Lemaire af en toe (bijvoorbeeld in hoofdstuk XIV Vogelen in Griekenland) te willen ‘filosoferen’, en diepzinnige, algemeen toepasbare filosofische inzichten te halen uit de feiten die hij presenteert, maar het lukt hem net niet en hij blijft steken op het niveau van vage overpeinzingen. Ook hier en daar (bijvoorbeeld in hoofdstuk IX Nederlandse wandelaars: Van Eeden, Thijsse, Leclercq) beperkt hij zich tot het stellen van een hele waslijst interessante vragen, terwijl hij met een beetje meer onderzoek misschien sommige van deze interessante vragen had kunnen beantwoorden.

Het is vooral om die redenen, denk ik, dat ik Wandelenderwijs ‘alleen maar’ een schitterend boek noem, en geen meesterwerk!

(details below)

•••••••••••••••••••••••••••••

Ik kreeg dit boek kado van een goede Vlaamse vriendin van mij, die vertelde dat zij altijd aan mij moest denken als zij het las. Zodra ik aan het eerste hoofdstuk Paden begon, wist ik precies wat zij bedoelde. Veel van wat Ton Lemaire erin schijft over paden doet namelijk heel veel denken aan wat ik hier schreef over het gedicht The Path van Ivor Cutler, en over paden in het algemeen. Hij vertelt hoe hij zich, door op een oude pad te lopen, verbonden voelt met al de mensen die het pad hebben gemaakt door honderden of duizende jaren lang dezelfde route te volgen – een ervaring die ik ook vaak heb gehad. Hiermee introduceert hij een algemeen thema van het boek, namelijk het feit dat wanneer je door het platteland wandelt, je niet alleen met de natuur in contact word gebracht, maar ook met het verleden – zowel dat van het landschap zelf als dat van de mensen die, door er te leven, werken en wandelen, het gemaakt hebben – waardoor een wandeling een soort reis naar het verleden kan worden:

Het netwerk van weggetjes waarvan we op onze wandelingen gebruikmaken, verraadt eeuwen van menselijke activiteit. Het vormt bij uitstek de neerslag van de domesticatie van de ruimte in Europa sinds het Neolithicum. […] Alle (cultuur)landschappen zijn het resultaat van de wederzijdse doordringing van mens en omgeving, van natuur en cultuur. Het stelsel van veldwegen en voetpaden is daarvan een onderdeel […] Wanneer wij nu als hedendaagse wandelaars dergelijke weggetjes volgen, verplaatsen wij ons daardoor onbewust en ongemerkt in die vroegere verhouding tot natuur en landschap. Het verfrissende van een wandeling bestaat dan ook niet alleen in het contact dat ze ons met de natuur geeft, maar ook hierin dat ze ons tijdelijk uit de moderne maatschappij wegvoert om ons iets te laten proeven van een leefwijze die nog een late echo is van de oorspronkelijke domesticatie van ons continent, de vestiging van de mens in de Europese ruimte. (p.14,4)

Zoals zo vaak in dit boek, herken ik veel van de ervaringen waarover Lemaire hier schrijft vanuit mijn eigen wandelingen. Bijvoorbeeld hoe, als je hoog in de bergen wandelt, je zo vaak restanten vind van menselijke bewoning: bewijs dat, zelfs in de meest afgelegen en onherbergzame plaatsen, mensen ooit hebben gewoond, gewerkt en hun leven doorgebracht. En ik kan nooit een pad volgen van het ene dorp naar het andere zonder een sterk gevoel te krijgen van hoe het leven geweest moet zijn toen er nog geen wegen en geen auto’s waren, en zo’n pad het enige manier was om te reizen.

•••••••••••••••••••••••••••••

In hoofdstuk II Kraanvogels, komen wij niet alleen heel wat interessante feiten te weten over deze vogels zelf, maar lezen wij ook over het belang van de echte wildernissen (in tegenstelling tot cultuurlandschappen) en hoe deze worden bedreigd, en ook over de ‘natuurmensen’ die bijna niets van de natuur afweten, die je tegenwoordig overal tegenkomt, sinds “Het milieu […] een economisch en politiek onvermijdelijke topic [is] geworden”. Lemaire heeft ook iets interessants te zeggen over het verschil tussen Amerikanen en Nederlanders wat betreft hun houding ten opzichte van natuur en wildernis:

Mensen die werkelijk enthusiast zijn voor de wildernis, moet je vooral zoeken in kringen van radicale ecologen. Die vind je in Nederland minder dan bijvoorbeeld in Amerika. Niet alleen omdat daar meer werkelijke wildernissen te vinden zijn dan in Europa (bijvoorbeeld de Rocky Mountains, Alaska), maar vooral omdat in het centrum van het kapitalisme ook de reactie tegen de gevolgen van doen en denken van deze productiewijze het heftigst is. Ook in dit opzicht is Nederland een land van het midden, een gematigde natie, levend in een grotendeels aangeharkte natuur. Het Nederlandse volk heeft nagenoeg zijn hele woonruimte in een cultuurlandschap veranderd, dus getemd, en door generaties in een dergelijke landschap te leven is het van de weeromstuit zelf ook getemd. Polders, parken en aangeplante bossen vormen geen geschikte voedingsbodem voor adepten van de wildernis. (p.22,5)

•••••••••••••••••••••••••••••

Hoofdstuk III Lapland, gaat grotendeels over het weinig benijdenswaardige lot van de ‘inheemse volken’, vooral, maar niet alleen maar, in het hoge Noorden van Europa en Asië. Zoals in ieder hoofdstuk vermengt Lemaire zijn eigen reiservaringen met interessante en intelligente commentaar op alles (natuurlijk, menselijk, cultureel of historisch) dat hij op zijn pad tegenkomt.

Hij kan wel af en toe een beeje tè romantisch worden voor mijn smaak, al is het hem snel vergeven:

[…] ik verbaas mij erover dat bijna overal, ook in de meest barre en afgelegen gebieden, mensen hebben geleefd, al diep in de prehistorie. Ik kan me voorstellen hoe hard dit leven geweest moet zijn, alleen al door de meedogenloze winters; we zijn immers vrij goed geïnformeerd over het traditionele Lappenleven zoals dat nog tot voor één of twee generaties hier werd geleid. En in mijn verbeelding ontwaar ik een lange rij van in de tijd vervagende gestalten van tanige jagers en rendierhouders die hier hebben geleefd en waarvan de Samen de laatste vertegenwoordigers zijn. Tussen de rotsen, in de stenige bodem, onder het mos moeten overal de resten van hun beenderen en van hun werktuigen zich hebben vermengd met het wilde en grootse land waarvan ze gehouden moeten hebben. Nu, net als toen, strijkt de wind onaangedaan door de dennen. (p.39,1)

Het is een heel mooi beeld (en dáárom is het hem zo snel vergeven!), maar waarom in godsnaam, ondanks de hardheid van het leven en de meedogenloze winters, moeten deze mensen van het land hebben gehouden ? Het is niet alsof zij een keuze hadden. Zij konden toen de trein naar de stad niet pakken om in een lekker warme fabriek te gaan werken!

•••••••••••••••••••••••••••••

In de hoofdstukken IV Vézère-vallei, V Frans platteland en VI Larzac laat Lemaire zien dat het Franse platteland veel interessanter kan zijn dan ik ooit verwacht zou hebben. Ach ja, eigenlijk vind je overal interessante dingen als je maar goed kijkt!

Een van de leuke dingen van dit boek is de manier waarop ik zo vaak een gevoel krijg van ‘dáár zou ik echt willen gaan wandelen’ – en dat van plaatsen (zoals Lapland of de Dordogne) waarvan ik normaal gesproken nooit zo’n idee in m’n hoofd zou halen! Niet dat het waarschijnlijk is dat ik in die plaatsen ooit echt zal gaan wandelen; ik wil alleen iets aangeven over zijn manier van schrijven en de aanstekeligheid van zijn enthusiasme!

Lemaire heeft interessante dingen te zeggen over het verschil tussen Frankrijk en Nederland, en daardoor over ‘de ambivalentie van de vooruitgang’, de economie en het moderne leven in het algemeen. Na een stuk te hebben geciteerd uit zijn dagboek van een wandeling in Noordoost-Frankrijk omstreeks 1975, vertelt hij dat hij vaak terug is gegaan, dat zijn enthusiasme voor het Franse platteland nooit minder is geworden en dat hij er uiteindelijk is gaan wonen. Hij vraagt zich af hoe dit allemaal komt, en heeft wat interessante antwoorden:

Wat is het toch, vraag ik mij vaak af, dat mij er zo sterk in aantrekt? Het zijn niet alleen maar de rust en de ruimte die je, als iemand uit een klein en dichtbevolkt land als Nederland, direct zo treffen en die zo weldadig aandoen. Ik geloof dat ik de kern ervan ten slotte bondig als volgt kan omschrijven: de natuur is er zoveel rijker en de geschiedenis is er nog voelbaar aanwezig. Op de keper beschouwd betekent dat eigenlijk dat de modernisering er niet zo onbarmhartig heeft huisgehouden als bijvoorbeeld in Nederland. Het Franse platteland is ouderwetser, het is – of was tot voor kort – minder aangetast door de grote veranderingen die ertoe hebben geleid dat het platteland in Nederland is geürbaniseerd. De landbouw is, met uitzondering van gebieden in Noord- en Midden-Frankrijk, nog vrij kleinschalig gebleven; ruilverkavelingen hebben er nog maar wenig plaatsgevonden en natuurlijk – ik zou het bijna vergeten – is de bevolkingsdichtheid er zoveel geringer, waardoor ook de tegenstelling stad-platteland er groter is dan in de lage landen. Kortom, het platteland is er nog meer platteland en de stad meer stad.
Nederland is dus moderner en rijker, Frankrijk armer, althans als wij denken in eng-economische termen. In andere opzichten is Frankrijk juist rijker en het is dan ook mogelijkerwijs om die reden dat veel Nederlanders er graag hun vakanties doorbrengen, ter compensatie wellicht voor wat ze zijn gaan missen in hun eigen land, juist als gevolg van hun economische succes. Inderdaad, zoals iemand treffend heeft opgemerkt: een samenleving kan zich zodra ze rijk is geworden niet meer de genoegens permitteren die binnen haar bereik lagen toen ze nog arm was! Aldus de ambivalentie van de vooruitgang kort samengevat. Overigens doet Frankrijk al geruime tijd pogingen om die ‘achterstand’ van haar platteland weg te werken en de landbouw te intensiveren zoals overal in de EU, zodat ook daar in veel streken ‘het einde van de boerenstand’ nabij is. (p.54,4)

Hij gaat door te vertellen over de enorme leegloop van het Franse platteland, in het bijzonder de meer zuidelijke en bergachtige delen ervan, die sinds ongeveer halverwege de negentiende eeuw heeft plaatsgevonden, en waarvan hij vaak sporen tegenkomt op zijn wandelingen: de roestende en overwoekerde spoorlijnen, verlaten stations en boerderijen, akkers en wijngaarden die langzaam tot bos worden, vaak hele gehuchten die half door bos en struiken zijn overwoekerd. Niet tevreden met het simpele constatering van zulke toestanden, Lemaire heeft veel – en vaak fascinerende dingen – te vertellen over hun achtergrond en oorzaken:

In Frankrijk zijn er […] heel wat historici en schrijvers die zich met de lotgevallen van het platteland hebben beziggehouden. […] die in hun oeuvre proberen deze tragische geschiedenis van het einde van het traditionele platteland te vertellen. Een geschiedenis die overigens nog niet is afgesloten, want ten gevolge van de landbouwpolitiek en de Europese eenwording gaat de afbraak van de agrarische traditie nog door, verdwijnen er nog steeds boeren van de oude stempel om te worden opgevolgd door ‘neoruralen’ uit de stad ofwel door modern gezinde en geschoolde landbouwers die hun bedrijf weten aan te passen aan de harde eisen van de moderne markt. ‘C’est le progrès qui tue’ (‘Het is de vooruitgang die ons doodt’), zeggen kleine boeren soms tegen mij. En dat is in al zijn bondigheid de beste samenvatting van wat er gebeurt.
Want op de keper beschouwd vindt nu de laatste fase plaats in het proces van de transformatie van een agrarisch-ambachtelijke maatschappij in een moderne industriële, een omvorming die al eeuwen geleden begonnen is en die in de twintigste eeuw haar voltooiing lijkt te naderen. Traditionele boeren zijn in doen en denken nu eenmaal een archaïsme in een moderne maatschappij als de onze. Alle sociologie, antropologie en economie van boerensamenlevingen gaan uiteindelijk nergens anders over dan over de gevolgen van deze overgang van twee typen samenlevingen en culturen, van twee productie- en denkwijzen. De logica van de kapitalistische maatschappij is bezig de resten van een rurale beschaving te vernietigen die meerdere millennia heeft bestaan – zij het in verschillende gedaanten -, behalve enkele fragmenten die in openluchtmusea worden bewaard of als antiek in de huizen van de burgers terechtkomen. In het Westen heeft dit proces zich minder bruut voltrokken dan onder sovjet-heerschappij, waar miljoenen boeren gedwongen in collectieven zijn ondergebracht en waar aldus het platteland van bovenaf is veranderd. Maar beide vormen: die van de markt en het vrije kapitaal en die van de dwang van een geforceerde utopie, zijn in werkelijkheid varianten van hetzelfde globale proces van modernisering. (p.59,8)

‘C’est le progrès qui tue’ is misschien een goede opsomming van de veranderingen die hij beschrijft, en hij concentreert zich op de negatieve en betreurenswaardige kant van deze veranderingen, maar toch verliest Lemaire niet uit het oog dat ‘le progrès’ ook zijn positieve kant heeft, en hij blijft altijd bewust van het dilemma die deze dubbelzijdigheid oplevert. Hij gaat door om te zeggen dat hoewel “er van de kant van de boeren altijd wel verzet [is] geweest tegen de hen opgedrongen veranderingen”, het vaak niet-boeren waren (burgers, kunstenaars, intellectuelen) die “boer en platteland hebben verdedigd en geïdealiseerd”:

In bijna elke fase in de transformatie van de traditionele boerenstand is er aldus in kunst en literatuur een ideologische tegenbeweging geweest waarin de niet-boeren de veranderingen betreurden. Het platteland blijkt een gemakkelijk projectievlak voor de verlangens van de burgers. Nagenoeg alle boeken over boeren en ook schilderijen met rustieke taferelen zijn door niet-boeren geschreven en geschilderd. Hoe weten wij dan ooit wie de boer zélf is, wat het platteland zelf is, niet vertekend door onze vooroordelen en verlangens? Kunnen wij het platteland ooit anders zien dan door de ogen van een buitenstaander? […] Als ik beken dat ik een zekere nostalgie heb naar het vroegere platteland, een gevoel van verlies bij de veranderingen die hierboven zijn beschreven, doe ik dat met het onrustige geweten van iemand die zich bewust is van zijn positie als buitenstaander, van zijn mogelijke projecties en wensdromen… Want we weten hoe het boerenbestaan altijd ook hard en prozaïsch is geweest, hoe zwaar en eentonig vaak het werk was, hoe autoritair de menselijke verhoudingen waren, hoezeer het individu werd beheerst door de dwang van de groep en van de traditie. En toch! Als ik de teloorgang van het platteland van weleer toch betreur, is het omdat een leefwijze na zoveel eeuwen, zelfs millennia verdwijnt, een leefwijze waarin de mens op elementaire manier was geworteld in het landschap waarin hij woonde, waarin hij zijn soms karig bestaan in directe omgang met de natuur moest verwerven. En ook, ten slotte, omdat ik een louter stedelijke leefwijze, in metropolen en grote conglomeraties, geen aantrekkelijke toekomst vind voor de mensheid. (p.61,2)

Vaak gebruikt hij zijn reis- en wandelervaringen om iets veel dieper of algemener te zeggen over het leven. In het hoofdstuk over de Vézère-vallei bijvoorbeeld, vertelt hij over zijn eerste bezoek aan de beroemde grot van Lascaux en het effect dat het op hem had:

De afdaling in die diepe grot, het plotseling zien van de afbeeldingen […], de stilte in deze onderaardse ruimte die millennia vergeten was geweest, brachten mij in een plechtige, zelfs religieuze stemming. […] Op een armlengte van mij verwijderd, nee nog dichterbij, ik kon ze met mijn vingertoppen aanraken, bevonden zich de vormen van de prehistorische dieren die ooit door een lang vergane menselijke hand waren neergezet. Hoe dichtbij waren ze en toch hoe veraf! Ik hoorde in mijn oren het suizen van de ondoorgrondelijke tijd. […] Boven gekomen werd ik verblind door het felle zonlicht van de augustusdag. Ik klom, ik rende een heuvel op zo hard ik kon en keek uit over beboste heuvelkammen en onzichtbare dalen, het hele luisterrijke landschap rond de Vézère, en ik voelde mij als opgetild door een grote innerlijke en tegelijk kosmische kracht. (p.50,8)

Iedereen die in deze woorden niets van zijn eigen ervaringen kan herkennen (al is dat misschien in héél andere omstandigheden en met héél andere oorzaken) heeft iets belangrijks gemist in het leven! Hij gaat verder, en vertelt over het ongelukkige feit dat het vaak onmogelijk is om zo’n ervaring met dezelfde intensiteit te herhalen:

Vele malen ben ik teruggegaan, wandelend en trekkend, in en rond deze vallei van de Vézère, maar nooit meer heb ik het gevoel geproefd van die eerste keer. Alsof je je maar éénmaal kunt openstellen voor de dingen in hum volheid, alsof alleen het begin werkelijk groot is. (p.51,4)

Ware woorden, helaas, over zo veel in het leven! Maar ik, in ieder geval, ben toch altijd eeuwig dankbaar gebleven voor die “eerste keer”s die mijn leven zoveel hebben verrijkt!

•••••••••••••••••••••••••••••

In hoofdstuk VII Met een ezel op pad lezen wij over de poging die Lemaire en zijn vrouw deden om de diensten van een ezel in te schakelen voor het vervoer van hun bagage tijdens een lange wandeling in de Périgord. Al snel bleek dat de ezel, die Pompom heette, niet veel zin had in deze onderneming en regelmatig midden op straat bleef zitten, en alleen met de grootste moeite, en vaak vele uren later, weer in beweging kon worden gebracht. Na een paar dagen moesten zij hun reis afbreken en de ezel weer inleveren waar zij hem gehuurd hadden. Toch heeft het Lemaire een leuk verhaal opgeleverd, en de gelegenheid om veel te zeggen over de manieren waarop de mensen altijd de dieren hebben ge- en misbruikt. Hij constateert uiteindlijk dat hij Pompom ook heeft geprobeerd te misbruiken, geeft hem groot gelijk met zijn koppigheid en traagheid, en vindt zelfs dat hij een kans heeft gemist om iets van deze ezel te leren. Na een paar van de gruwelijke dingen te hebben opgesomd die de mensen ‘hun’ dieren hebben aangedaan, zegt hij:

Wat was de mens toch voor een dier dat hij zich dit soort dingen permitteerde en dat vaak met de grootste vanzelfsprekendheid en zonder een greintje schuldgevoel? Dat hij zich gedroeg als de Heer van de schepping, als een despoot jegens andere levende wezens?
Toen mijn blik viel op de voorttrippelende ezel, schrok ik, want deed ik op dit moment niet in wezen precies hetzelfde? Ik gebruikte ook een dier voor mijn doeleinden, dwong het om zich aan mijn wil en plannen te onderwerpen. Zo had ik Pompom op de heenweg almaar aangespoord om sneller te lopen en wanneer hij tegenstribbelde, was ik kwaad en geërgerd geworden, alsof ik recht had op zijn gehoorzaamheid. Maar wat verbeeldde ik me niet als mens! Ik was gearriveerd, had een ezel gehuurd die ik nog nooit had gezien en had hem met mijn bagage opgezadeld. Bij die gedachte begon ik mij opeens te schamen. Eigenlijk had de ezel groot gelijk gehad om niet te willen lopen, om zijn eigen tempo te willen volgen. Achteraf kreeg ik nog bewondering voor hem! Pompom was zichzelf gebleven, was zijn eigen ritme trouw gebleven en had op zijn eigen, langzame manier het landschap doorkruist. En ik had eigenlijk een kans gemist om de wereld vanuit zijn perspectief waar te nemen, om de weldaad te proeven van de traagheid. Pompom had me een les in vertraging kunnen geven waarvoor ik niet had opengestaan, want ik had hem zo nodig mijn eigen tempo willen opleggen, de snelheid van een mens die ook tijdens zijn vakanties nog van alles wil en denkt te moeten doen. Een mens die niet de wijsheid van de zachtmoedige en geduldige ezel had begrepen en niet had geleerd om te genieten van een verlangzaamd leven waarin ook de dingen zich anders konden tonen dan in het dagelijks bestaan. Ik keek nu met andere ogen naar onze ezel en voelde een nieuw begrip in mij oprijzen voor zijn manier van in de wereld te zijn. (p.85,0)

Jammer dat veel meer mensen zich niet zo bewust zijn van de godvergeten arrogantie van de mens ten opzichte van andere dieren en van de ellende die door de mens andere dieren altijd is aangedaan (ik hoop, trouwens, dat meneer Lemaire vegetariër is!). En dat vind ik zo’n mooie uitdrukking: “de weldaad van de traagheid”!

•••••••••••••••••••••••••••••

In hoofdstuk VIII Het geluk van het botaniseren vertelt Lemaire over hoe belangrijk hij het vindt om de natuur, en met name de planten, echt te bestuderen, om het ene van het andere soort te kunnen onderscheiden, en hoeveel deze extra kennis kan toevoegen aan be belevenis van een wandeling.

Door het hele boek zitten zijn beschrijvingen van wandelingen vol informatie over precies welke planten, insecten en vogels hij tegenkomt op z’n weg. Dat is iets dat mij weinig interesseert, want ik ben een van die mensen “die nauwelijks een boterbloem van een paardebloem, laat staan een boomkruiper van een boomklever […] kunnen onderscheiden” (p.22,2). Ik ben regelmatig verbaasd om te zien hoe lang en hoe gefascineerd sommige van onze dinergasten kunnen praten over dit of dat soort plant, hoe hij in het Frans, het Engels, het Duits of het Nederlands heet, of hij wel of niet familie is van die of die andere plant, hoe heet hij ook al weer?, die je vaak dáár ziet en die zulke bloemen heeft, enz., enz. Gelukkig heb je tegenwoordig Wikipedia om de antwoord op zulke vragen snel op te zoeken, in welke taal je ook wilt en met foto’s erbij, en het is soms echt een pendelen van jewelste tussen de eettafel en de computer! Hun interesse gaat voornamelijk uit naar planten die je kunt eten of als kruid kunt gebruiken, maar die niet alleen: het hebben van mooie bloemen kan ook voldoende zijn. Bij dat soort conversaties begin ik mij snel te vervelen, maar die mensen zullen veel meer hebben aan de soms gedetailleerde beschrijvingen van de vegetatie in dit boek dan voor mij het geval was.

Toch ziet Lemaire ook het gevaar in dat teveel aandacht voor details nadelig kan zijn voor het beleven van de natuur als geheel. Na een tijdje over het botaniseren te hebben gesproken, en in het bijzonder over de jacht op zeldzame soorten, vervolgt hij:

Voor sommige mensen is zoveel aandacht voor afzonderlijke planten en hun details misschien iets wat afleidt van de beleving van de natuur als geheel en wat daarvoor ook helemaal niet nodig is. Inderdaad kun je je afvragen of het absoluut noodzakelijk is om een gedetailleerde kennis van de planten- en dierenwereld te bezitten om van de natuur te kunnen genieten en zelfs om je op een diepe manier deel van die natuur te voelen. Maar wanneer je geen enkele soort zou kunnen onderscheiden, zou je waarneming ook arm en ongedifferentieerd blijven. Want je zou in een weiland alleen maar ‘gras’ zien en niet de vele soorten grassen die er bestaan, of op en akker slechts ‘onkruid’. En evenzo zou het zijn met betrekking tot vogels, insecten enzovoort. Ik neig dus tot de mening dat de waarneming sterk gescherpt en verrijkt kan worden door toename van kennis en dat onwetendheid ten aanzien van de natuur, zoals het onvermogen om soorten te onderscheiden, nooit een aanbeveling kan zijn. (p.90,9)

Maar dan iets later…

Niettemin zit er toch één essentieel element van waarheid in het standpunt van diegenen die veel gedetailleerde kennis onodig vinden voor hun natuurbeleving. Want het reële gevaar voor hen die zich gaan verdiepen in het detail, die zich specialiseren in slechts één soort of in de fysiologie van één plant of de ecologie van één plantengemeenschap, is dat ze het geheel uit het oog gaan verliezen, dat ze ongevoelig dreigen te worden voor de beleving van de natuur als geheel, laat staan dat ze nog in staat zijn om zich nog deel van de natuur als totaliteit te voelen. (p.91,6)

…waarna hij doorgaat om te praten over de grote afstand die soms te vinden is tussen natuurwetenschappers (waaronder botanici) en de natuur zelf. Ik heb in ieder geval niets te vrezen van dit soort gevaar! Hij heeft ongetwijfeld gelijk dat zelfs een beetje kennis van de planten- en dierenwereld een extra dimensie geeft aan het contact met de natuur, en door mijn onwetendheid mis ik waarschijnlijk een hoop interessants op mijn eigen wandelingen. Maar ja, er zijn maar zoveel uren in een dag en zoveel jaren in een mensenleven, en je kan je niet in alles verdiepen…

•••••••••••••••••••••••••••••

In hoofdstuk IX Nederlandse wandelaars: Van Eeden, Thijsse, Leclercq heeft hij wat interessante dingen te zeggen – en vooral veel vragen te stellen – over het verschil tussen noord- en zuid-Europa wat betreft de houding van de mens ten opzichte van de natuur:

Nederlanders zijn, net als Engelsen en Duitsers, een volk van wandelaars. Je hoeft maar naar een van de een Romaanse taal sprekende volken van Zuid-Europa te gaan om je daarvan bewust te worden. Men wandelt er weinig of niet en dan zeker niet in de natuur. […] Het is moeilijk, zoniet onmogelijk, om in landen als Spanje, Portugal, Italië en zelfs Frankrijk goede veldgidsen te vinden voor vogels, planten of insecten. […] En wanneer er al echte vogelgidsen of flora’s zijn, blijkt het bijna steeds om vertalingen of bewerkingen te gaan van Engelse of Scandinavische gidsen. Ik heb mij al vaak de vraag gesteld hoe die verschillen tussen Noord en Zuid te verklaren zijn. Komt het omdat de romantiek, met haar bewustwording van natuur en landschap en haar passie voor het eigene en inheemse, nu eenmaal in Zuid-Europa minder is aangeslagen dan in het Noorden? Maar waarom zou dat het geval zijn? Heeft het ontstaan van de romantiek dan iets te maken met de Reformatie? Maar waarom is de Reformatie in hoofdzaak een noordelijke aangelegenheid geweest? Is het Noorden individualistischer? Maar komt dat dan omdat het kapitalisme, althans in zijn latere fasen, zich vooral in het Noordwesten van Europa heeft ontwikkeld? Maar waarom dan? Of is er veeleer een verband met het feit dat Noordwest-Europa later is gekerstend dan het mediterrane gebied, waardoor bij ons langer de natuurvriendelijker Germaanse en Keltische religies konden blijven doorwerken? (p.99,4)

Een fascinerend onderwerp, zeker, en één waarover veel meer te zeggen valt. Ook één, ik ben er zeker van, dat al heel veel bestudeerd is geweest en waarover heel veel boeken zijn volgeschreven. Ik vind het jammer dat meneer Lemaire, voordat hij dit boek schreef, niet eerst een beetje meer onderzoek heeft gedaan, waardoor hij misschien sommige van deze interessante vragen had kunnen beantwoorden! Hoe dan ook…

Het is in ieder geval opvallend dat ook in het Noorden van Europa de milieubeweging en ook de radicale ecologie veel verder zijn ontwikkeld dan in het Zuiden. In de ogen van ons, noordelingen, zijn Fransen, Spanjaarden en Italianen nu niet bepaald natuurgezind. Indien ze zich al de natuur in begeven, dan is het zelden om te wandelen maar veeleer om er paddestoelen te zoeken en natuurlijk om er te jagen. (p.100,3)

In mijn persoonlijke ervaring, als noordelijke stadsmens die veel tijd heeft doorgebracht in zuid-Europese streken die vol zitten met wat wij noordelingen als ‘mooie natuur’ en ‘mooie landschappen’ beschouwen, zouden de meeste mensen die daar zijn opgegroeid en hun hele leven omringd zijn geweest door al die ‘mooie natuur en mooie landschappen’, het nooit in hun hoofd halen om de natuur als ‘mooi’ te beschrijven. Nee, al dat ongebruikte land is er gewoon; het kan nuttig of nutteloos zijn, of af en toe gevaarlijk – en als het toch niet gebruikt wordt dan kan je er rustig je oude auto’s en koelkasten in smijten – maar ‘mooi’??? Ondertussen hebben ze in plaatsen als Kreta en Corsica ontdekt dat de natuur toch een economische waarde heeft en dat veel van die rijke noordelingen bereid zijn om goed geld uit te geven om al die ‘mooie’ natuur te mogen aanschouwen, wat de dubbelzijdige effecten met zich meebrengt van meer toerisme (dus meer hotels, meer wegen, etc.) èn beter natuurbehoud. Die tendens van mensen die altijd middenin de natuur hebben geleefd om die een stuk minder ‘mooi’ te vinden dan een stadsmens dat doet, heeft veel meer met de tegenstelling stad/platteland te maken dan met het verschil tussen Noord en Zuid. Maar, zoals wij al veel eerder in dit boek hebben kunnen lezen, er is tegenwoordig in landen als Frankrijk, Spanje en Italië simpelweg veel meer natuur over dan in landen als Nederland en Duitsland. Zou dat er mee te maken kunnen hebben?

Lemaire vertelt veel over de drie in de hoofdstuktitel genoemde Nederlandse wandelaars, zijn grote voorgangers in het wandelen, de natuurstudie en vooral het schrijven erover. Eerst F. W. Van Eeden (1829-1901), die zijn beschrijvingen van landschappen en planten met opmerkingen over geschiedenis, archeologie en folklore verrijkt, en zijn meningen over maatschappij en politiek niet onder stoelen of banken steekt. En die meningen zijn alles behalve progressief to noemen:

Wat duidelijk naar voren komt uit deze ‘wandelingen’ is Van Eedens reserve, om niet te zeggen zijn afkeer van de vooruitgang die in zijn tijd doorzet en op dorpen, landbouw en landschap al zijn stempel begint te drukken. Hij ontwaart er een bedreiging in van niet alleen de natuur maar evenzeer van de Nederlandse volksaard. Herhaaldelijk herinnert hij aan de grootheid van de Nederlandse geschiedenis, volgens hem geworteld in de kracht van de ‘Germaanse stammen’. […] Zijn geschiedbeeld is vrij pessimistisch en hij is in politiek opzicht een conservatief. Hij deelt in ieder geval niet het vooruitgangsgeloof zoals dat toen sterk in opkomst was. Hij relativeert deze vooruitgang en hij zegt te geloven dat de mens vroeger en thans ‘altijd even gelukkig en even ongelukkig is geweest’ […] Van Eeden legt ook een verband tussen natuur en volksaard. […] Wanneer hij pleit om de natuur en vooral het bos te beschermen en te behouden, wordt dat tevens gemotiveerd door de verwachting dat daarmee ook het volk in zijn traditionele aard wordt beschut tegen vreemde invloeden en tegen de nivellerende werking van de moderne tijden. (p.102,3)

Van Eeden was zeker een pionier wat bescherming van de natuur betreft, en in dat opzicht zijn tijd ver vooruit, maar…

Heel vaak roept de aanblik van de natuur bij Van Eeden sr. herinneringen op aan volk en land, […] Midden in het bos bij Soeren presenteert onze wandelaar zijn maatschappelijke opvattingen, die wij in hedendaagse termen zonder aarzelen conservatief en reactionair zouden noemen. Van Eeden hoopt [..] op regeneratie van zijn vaderland ‘in een ziek Europa’ door herstel van de traditionele orde en tevens door het behoud van de natuur, vooral van de wouden, waarbinnen die orde zich had ontwikkeld. (p.104,8)

Het is dan geen wonder dat natuurbehoud in deze periode vooral een rechtse aangelegenheid was. Toch is die gedachte blijkbaar heel verrassend voor veel mensen tegenwoordig:

Overigens is het samengaan van een politiek rechts standpunt met een pledooi voor natuurbehoud volstrekt normaal in Nederland, vooral in de vroege fasen van de natuurbescherming. De gedachte dat het streven naar behoud en bescherming van de natuur eerder politiek links is, dateert pas van de jaren zeventig. Ten gevolge van de toenmalige politieke en maatschappelijke constellatie heeft politiek links het milieuprobleem als belangrijk politiek punt op de agenda geplaatst. Daardoor heeft bij sommigen het misverstand postgevat dat zorg om natuur en milieu per se een aangelegenheid van links zou zijn; niets is dus minder waar. (p.105,6)

Nee, het leven is zelden zo eenvoudig! Van Eeden was sterk beïnvloed door de Duitse romantici en door de romantische natuurfilosofie in het algemeen, zoals uit de volgende citaten blijkt:

‘… gelukkig hij, die te midden van de woeste haast des levens, nu en dan een berg vindt of een meer, of een bosch, of een zonnig bloemveld, om een oogenblik te zijn in de eeuwige Natuur, waarvan ons leven slechts een vluchtig schijnbeeld is.’ (p.103,9)
‘Onze verhevenste gedachten, onze edelste stemmingen ontstaan als wij alleen zijn met de natuur, alleen tegenover de wijde wereld. In het geheimzinnige bosch, op de toppen der heuvels gevoelen wij dat wij ook een eigen, zelfstandig leven, een eigen persoonlijke vrijheid hebben…’ (p.104,5)

Jac. P. Thijsse (1865-1945), beperkte zich meer tot de natuur zelf en had minder te zeggen over maatschappij en politiek. In tegenstelling tot Van Eeden had hij niets tegen de vooruitgang en was hij over het algemeen minder romantisch en mystiek en meer utilitair – en daarom, zou ik zeggen, was hij, filosofisch gezien, minder ‘rechts’ en meer ‘links’:

Directe observatie van de natuur […] was zijn grote kracht. Daarom vinden wij in zijn werk zelden of nooit passages waarin meer theoretische, laat staan ideologische of politieke thema’s de revue passeren, zoals bij Van Eeden. […] Anders dan Van Eeden was hij zeker niet tegen vooruitgang en modernisering gekant. In zijn geschriften ontbreken diens romantische pessimisme en eventuele beschouwingen over het verval van zijn tijd. Integendeel, uit alles blijkt dat Thijsse positief stond tegenover technische vooruitgang en menselijke expansie en dat hij dus de in zijn tijd heersende waarden grotendeels deelde. Evenmin is zijn passie voor de natuur geboren uit afkeer van de stad of van het stadsleven. […] Nee, zijn liefde voor de natuur is hoogstens een aanvulling op het stadse leven. De natuurstudie is voor hem een bron van levensgeluk, van schoonheid en genot en als zodanig een onmisbare vervollediging van het mens-zijn. De natuurstudie en de ‘natuursport’ […] konden zijns inziens een waardevolle functie in de samenleving vervullen, maar waren zeker niet bedoeld als een vlucht uit de maatschappij en nog minder waren ze ingegeven door een al dan niet verholen vorm van cultuurkritiek. Wij treffen bij Thijsse ook geen spoor aan van een soort religieuze beleving van de natuur, zoals bij Van Eeden […], of van een soort natuurmystiek. […] Het ging hem om het ‘plezier’ en het ‘genoegen’ van het wandelen in de natuur, niet om er de diepste vervulling van zijn bestaan in te vinden.
Ook in zijn pledooi voor het behoud van woeste gronden overwegen gematigde en min of meer utilitaire motieven. Wildernis is een terechte aanvulling op bouwland en bedrijf […] Want er moest ‘vooruitgang’ zijn, dat was onvermijdelijk en goed, maar hij ijverde er alleen voor dat er ook voor de natuur nog een plaatsje overbleef, tot meerdere levensvreugde van ieder. (p.107,8)

W. L. Leclercq (1899-1985) was in vele opzichten zijn tijd vooruit, en zei vele dingen die, voor mij tenminste, nog altijd heel actueel en relevant klinken:

Hij was duidelijk een vroege vertegenwoordiger van het op dat moment opkomend bewustzijn van de ecologische complexiteit van het bos als levensgemeenschap en van het verzet om bossen in hoofdzaak als productiebos te beschouwen. Hij pleit voor een houding van respect voor het bos en voor het breken met de – niet uitsluitend Nederlandse – neiging om daarbij alleen maar ‘naar de centen’ te kijken. […] Voortdurend probeert hij het heersende nuttigheidsdenken te doorbreken dat alles, ook de natuur, slechts beoordeelt in termen van direct nut en voordeel voor de mens. Zo merkt hij ergens op: ‘…alleen een goede samenwerking van techniek, wetenschap en esthetiek kan ons land behoeden voor verwording tot een fabriek van nuttige producten, die misschien economisch wel erg prachtig is, maar waarin het op den duur toch niet uit te houden zal zijn, daar de mens nu eenmaal niet van brood alleen leeft’. (p.111,8)
[in het slotwoord, waarschijnlijk in 1963 geschreven, van de vijfde druk van zijn boek Bomenspiegel voor de wandelaar ] toont hij zich bezorgd over de toekomst van de mensheid. Plantengroei, en bij uitstek het bos als hoogst ontwikkelde vorm daarvan, ‘… is de voornaamste instandhouder van de vruchtbaarheid van de aarde en de eeste voorwaarde voor het voortbestaan van het leven op deze planeet, en juist aan het bos heeft de mens zijn grootste zonden bedreven’. Door ontbossing en erosie, roofbouw op de rijkdommen van de aarde, dreigende overbevolking enzovoort wordt onze toekomst bedreigd. We moeten onszelf niet zien als het centrum van het heelal, maar als een deel in het geheel van het leven op één kleine planeet. We moeten proberen – vervolgt de auteur – ons egoïsme en onze kortzichtigheid te doorbreken ter wille van een menswaardige toekomst voor ieder en een betere verdeling van de welvaart en een verstandiger omgang met de natuur. Deze woorden klinken nu volstrekt vertrouwd in de oren omdat ze vanaf het begin van de jaren zeventig in vele toonaarden zijn herhaald. Maar Leclercq was eerder dan de meesten tot dit inzicht gekomen. (p.112,5)

Aan het einde van die passage geeft Lemaire het goede nieuws: de meeste mensen zijn nu veel meer bewust van dit allemaal dan ze in 1963 waren. Het slechte nieuws, jammer genoeg, is dat dit vergrote bewustzijn in de laatste halve eeuw weinig heeft geholpen, zodat de planeet nu in een nog veel slechtere staat verkeert, en wij nu nòg meer reden hebben om bezorgd te zijn over de toekomst van de mensheid, dan in 1963 het geval was.

In de rest van dit hoofdstuk krijgen wij veel te horen over hoeveel van het moois dat deze drie wandelaars hebben gezien en beschreven ondertussen voorgoed uit het Nederlandse landschap verdwenen is, hoe het Nederlandse platteland ten slechte is veranderd en hoeveel armer en ongelukkiger een ervaring het wandelen in Nederland is geworden, zelfs in de laatse paar decennia: een nogal deprimerend verhaal. Het is jammer dat mensen niet beter naar Leclercq hebben geluisterd in 1963, en dat er niet meer rekening is gehouden met zijn ideeën. In plaats daarvan, en alle verhoogde milieubewustzijn ten spijt, als het erop neerkomt vinden mensen banen belangrijker dan bossen, en een grotere auto of een extra vakantie belangrijker dan een boom – en het zijn deze prioriteiten die door de politiek worden gereflecteerd…

•••••••••••••••••••••••••••••

Het hoofdstuk X Open plekken vond ik bijzonder interessant, dus heb ik er bijzonder veel over te zeggen…

Lemaire begint door te spreken over het contrast dat men ervaart bij het wandelen tussen het diepe, donkere bos en de open plekken, en leidt de gevoelens die daarmee samengaan terug tot onze prehistorie:

Het is ontegenzeggelijk waar dat nagenoeg ieder op een boswandeling aangenaam verrasst is wanneer het pad af en toe het bos verlaat of over een open plek voert. (p.118,9)
Open plekken en bosranden hebben dan ook vaak voor mensen een duidelijk andere belevingswaarde dan het dichte woud. Wie weet welke diep weggezonken gevoelens in het geheugen van onze soort zich daarin manifesteren! Als we al afstammen van bosbewonende primaten, áls in het woud onze oorsprong is gelegen, dan moet onze soort – vermoed ik – toch al vroeg ook en voorkeur voor de ruimte en het licht van een open plek hebben ontwikkelt. (p.119,8)
De betekenis die open plekken in het bos voor ons hebben, hoeft niet per se tot de menswording zelf terug te gaan, maar kan ook veel recenter haar wortels hebben. Want we weten dat aanvankelijk menselijke nederzettingen juist zijn ontstaan op open plaatsen, hetzij op natuurlijke openingen in het bos, hetzij op door mensen opengekapte plekken. […] In eerste instantie verrezen huizen en dorpen in de opengekapte ruimten in het immense woud dat Europa bedekte. […] In onze tijd, nu de wouden van weleer zijn teruggedrongen naar de periferie, zijn wij vergeten dat alle cultuur ná het ontstaan van de landbouw op het bos is veroverd. Op de keper beschouwd is elke stad, zelfs de grootste metropool, een buiten proporties vergrote open plek in een bos dat inmiddels (grotendeels) verdwenen is. (p.120,3)
Niet alleen zijn vestigingen en nederzettingen altijd ten koste gegaan van het bestaande bos. Vooral ook op het imaginaire, mythische vlak speelt de tegenstelling bos of woud en nederzetting of beschaving een grote rol. Het woud vertegenwoordigt dan de natuur in haar oerstaat en oersprong, de stad en beschaving zijn het rijk van de mens en van de geschiedenis. Het bos als prototype van natuur is het duistere, het onbewuste tegenover het licht van het bewustzijn, van menselijke daad, instelling en wet. Men stelde zich de eerste mensen, ‘natuurmensen’ en ‘wilde mensen’, voor als ‘zwervend door het woud’, zich met eikels voedend, drinkend aan de eeste de beste bron, zich te ruste leggend aan de voet van een boom, naakt, promiscue en levend zonder wetten. Wet en beschaving werden ervaren als een door de mens op de chaos van het wilde woud veroverde open, geordende en gecultiveerde ruimte. Dit is het mythische schema dat in de vroegste geschiedenis van Europa, zoals met name ook bij de stichting van Rome een ideologische en dus legitimerende rol heeft gespeeld. Sindsdien is het woud de tegenpool van beschaving gebleven. (p.121,0)

Wij lezen verder hoe er aanwijzingen zijn dat open plekken in het bos een bijzondere betekenis hadden voor de oude religies, ten dele omdat ze vaak gecreërd waren door bliksem, die gezien werd als uit de Hemel komend, waardoor zulke plekken als heilig werden beschouwd:

We weten uit de geschriften van onder anderen Tacitus en Caesar dat Germanen en Kelten hun Goden vereerden niet in tempels maar in hun uitgestrekte bossen. Romeinen en Grieken hadden hun heilige ruimten omheind binnen muren, in tempels waarvan mogelijkerwijs de zuilen nog aan bomen herinnerden. Het viel de Romeinse auteurs juist op dat bij Galliërs en Germanen het bos zo’n belangrijke rol speelde bij hun riten omdat dat in hun eigen religie al geruime tijd niet meer het geval was. Naarmate de stad Rome zich uitbreidde, waren de bossen eromheen meer en meer verdwenen. Romes heerschappij over Midden-Italië en later over bijna de hele toenmalig bekende wereld hield tevens de dominantie in van de metropool over de oorspronkelijke wouden. Vandaar kwamen de volken die nog ‘in hun wouden’ leefden de Romeinen voor als wild en baarbaars, als buiten de (hun) beschaving staand. (p.123,0)

Maar dan ook…

[…] wanneer men, zoals Tacitus, de te grote luxe en decadentie van Rome aan de kaak wilde stellen, juist deze bosbewonende volken als de Germanen als onbedorven en krachtig ging voorstellen. In ieder geval waren de Romeinen van de klassieke tijd enigszins bosvijandig en volken als de Germanen of de Galliërs bepaald bosvriendelijk. Een verschil dat waarschijnlijk nog steeds merkbaar is, want in het algemeen lijken de Latijnse volken ook nu minder bosgezind dan de Germaanse.
De Romeinse afkeer van wilde wouden is spoedig versterkt door de joods-christelijke reserves tegenover de wilde natuur. In deze traditie is immers de natuur in zichzelf niet heilig en is alle heiligheid geconcentreerd in een volstrekt transcendente godheid. Wildernis en woud worden dan algauw opgevat als een oord van duivels en demonen, alleen opgezocht door kluizenaars en heremieten ter beproeving van hun ziel. (p.123,7)

Deze ‘gedachtenwandeling’ leidt ons veel verder, naar Duitsland en naar de donkerste momenten van de twintigste eeuw…

In Europa is Duitsland nog steeds een bosrijk land en is bovendien het Duitse volk sterk bosgezind. Omstreeks 1800 vielen de Duitse wouden een buitenlandse bezoekster als Madame de Staël zodanig op dat ze […] schreef: ‘De veelheid en uitgestrektheid van de wouden duiden op een nog jonge beschaving: de oude bodem van het Zuiden heeft bijna geen bomen meer, en de zon valt loodzwaar op de aarde die door de mensen is beroofd.’ Het woord ‘Wald’ had en heeft voor de Duitsers een bijna mythische klank die in laatste instantie misschien nog een echo is van de betekenis van de Germaanse bossen. […] Het Duits kent ook begrippen als ‘Waldgesinnung’ en ‘Waldverbundenheit’ om uiting to geven aan de bosvriendelijkheid van het Duitse volk. Het ligt voor de hand dat met name in de romantiek de emotionele of mythische beladenheid van het bos sterk naar voren treedt. Het Duitse woud verschijnt dan als de plaats van oorsprong, van een stille grootheid die onvergankelijk en authentiek is en waaraan de Duitse ziel zich als een pure bron kan laven. Deze mystiek van het woud is ten nauwste verbonden met het opkomend nationalisme en de (her)ontdekking van het eigene van het Duitse volk. […]
In het midden van de vorige eeuw, toen Duitsland zich in één staat verenigde, zocht men symbolen voor deze nieuwe identiteit. Een belangrijke bron daarvoor was onder andere de Germania van de Romein Tacitus, waarin deze de Germanen uitbeeldde als moedig, zuiver en nog niet verzwakt door luxe en verval. Bovendien herontdekte men de overwinning die de Germaan Hermann (Arminius) in het jaar 9 n.C. op de Romeinse legioenen onder Varrus behaalde in het Teutenburgerwoud, waardoor het grootste deel van Germanië buiten de Romeinse invloedssfeer zou blijven. Deze Hermann groeide snel uit tot een Germaanse held; […]
Omstreeks diezelfde tijd kwam het Duitse bos in het brandpunt van de belangstelling te staan omdat het door twee gevaren gelijktijdig werd bedreigd, beide als gevolg van de opkomst van de liberale, kapitalistische burgerij. Steeds meer bos werd namelijk tot privé-terrein gemaakt waardoor het oude gebruiksrecht van de plaatselijke bevolking om er te wandelen, paddestoelen te zoeken en hout te sprokkelen werd aangetast, en verder zette de moderne, rationele bosbouw zich door, die alleen maar economische maatstaven liet gelden in haar omgang met het bos. Vandaar dat er vele stemmen opgingen – onder andere die van Marx – om de traditionele vrijheid om te sprokkelen te verdedigen. Het woud was immers het laatste overblijfsel van het oude communale grondbezit van de gemeenschappen. Ook kwam er verzet tegen een eng-economische exploitatie van de bossen. (p.124,2)
[W. H. Riehl schreef in zijn Naturgeschichte des Volkes: ] ‘Het woud is […] een groots toevluchtsoord van onze eigen volkscultuur.’ […] ‘Het Duitse volk heeft het bos nodig zoals de mens wijn nodig heeft.’ ‘We moeten het woud in stand houden, niet alleen opdat onze kachel in de winter niet koud wordt, maar ook opdat de polsslagen van het volksleven warm en vrolijk doorslaan, opdat Duitsland Duits blijve.’ (p.126,4)
De strijd om het behoud van de Duitse wouden had dus bij uitstek een ideologische en politieke dimensie. Het verdedigen van de ‘Heimat’ en de ‘Duitse ziel’ vroeg om het behoud van het bos; dit alles tegen de uitwerking van het liberale kapitalisme, de anonieme markt en de verstedelijking. De nederlaag van 1918, die diepe wonden sloeg in het nationale zelfbewustzijn en die […] de voedingsbodem was voor de opkomst van Hitler en zijn partij, versterkte nog de innige verhouding van het Duitse volk tot zijn bossen. Met name in de jaren dertig verschenen er veel boeken waarin de als typisch Duits beschouwde eigenschappen werden toegeschreven aan de bijzondere verhouding van Duitsers tot hun wouden. (p.126,9)
Het nazisme heeft […] de al minstens sinds de romantiek bestaande neiging om een speciale band tussen het Duitse volk en zijn bossen aan te nemen, versterkt en tot component van een agressief nationalisme gemaakt. De mystiek van het woud verwerd er tot een mystificatie van de bestemming van Duitsland en het arische ‘ras’.
Nazisme en andere varianten van fascisme zijn – onder andere – vormen van protest tegen kapitalisme en de gevolgen van de moderniteit, maar op een verwrongen en ambigue manier. In het geval van Nazi-Duitsland bleek de ontwikkeling van de zware industrie en de meest geavanceerde bewapening samen te kunnen gaan met een ideologie die traditionele waarden als gezin en gezag, de band van de mens met land en ‘Heimat’ en met natuur en landschap benadrukte en idealiseerde. Als reactie tegen het opkomende individualisme en het uit elkaar vallen van de ‘volksgemeenschap’ en de invloed van zakelijke verhoudingen streefde het nazisme naar een ‘regeneratie’ van het volk door een terugkeer te prediken naar de veronderstelde bronnen van het ware ‘Deutschtum’. Men wilde aldus een ‘nieuwe mens’ scheppen – zoals op zijn manier het communisme in Rusland dat ook nastreefde – als redding uit het zogenaamde verval van het Westen door de gevolgen van materialisme en liberale democratie.
In dat verband kreeg de aloude verbondenheid van het Duitse volk met zijn landschap en wouden een gevaarlijk ideologische wending. De nazi’s riepen op tot terugkeer naar de natuur en naar de bossen als de authentieke bronnen waar het Duitse volk krachten kon putten in zijn strijd tegen de barbaarsheid van van de moderne maatschappij. In dat kader pasten ook de wetten die werden uitgevaardigd ter bescherming van dieren en van de natuur en het veiligstellen van ‘natuurmonumenten’ als onderdeel van het Duitse erfdeel. Deze wetten waren in Europa hun tijd vooruit. De perversiteit van de geschiedenis is daarbij dat hetzelfde regime dat omstreeks 1935 uit zorg om de natuur en dieren deze wetten uitvaardigde, minder dan tien jaar later een heel volk heeft geprobeerd systematisch uit te roeien. […] Om de barbarij van het kapitalisme te bestrijden verviel het nazisme in een veel erger barbaarsheid. (p.127,9)

Ik was enigszins verrast om te merken dat Lemaire het blijkbaar nodig vond om het volgende hieraan toe te voegen:

Niettemin, men kan van de volstrekte monstruositeit van het nazisme overtuigd zijn zonder daarmee de wenselijkheid van de bescherming van natuur en bossen te hoeven ontkennen. […] Door de nazi’s is de al bestaande band van de Duitsers met hun wouden dienstbaar gemaakt aan nationalisme en racisme. Maar daarmee, omdat er ooit misbruik van gemaakt is, is nog niet elke liefde tot bossen of natuur voorgoed iets fascistisch. (p.129,2)

Maar kan dat echt nodig zijn? Denken sommige mensen echt volgens zo’n primitief ‘associatie model’: zoiets van ‘A (in dit geval het nazisme) is slecht, B (in dit geval de liefde voor natuur en bossen, en de wens om ze te preserveren) wordt met A geassocieerd, dus moet B ook slecht zijn’? Wat voor een denkvermogen heb je nodig om zo te redeneren? Ongeveer dat van de honden van meneer Pavlov! Lopen er echt zulke domme mensen rond op de wereld? Ik vrees van wel. Er bestaat zelfs een naam voor dit soort ‘denken’: Reductio ad Hitlerum. De nazi’s waren op precies zo’n stomme manier bezig toen ze ‘de Joden’ simplistisch associeerden met het kapitalisme, en jammer genoeg is het in onze tijd ook niet moeilijk om veel meer voorbeelden van zulk primitief ‘associatiedenken’ te vinden…

Lemaire gaat door om het enthousiasme van de nazi’s voor de natuur en de bossen in zijn context te plaatsen:

Begin deze eeuw vond er een brede opleving plaats in de belangstelling voor de natuur. […] Ook in de in die periode opkomende jeugdbeweging, waaronder de padvinderij, speelde de trek naar buiten, de natuur in, een wezenlijke rol. Alsof het jeugdig elan dat zich een weg baande buiten de gevestigde kaders en klassen, de maatschappelijk neutrale en verfrissende omgeving van de natuur nodig had om zichzelf te vinden. Bos en buitenleven werden (her)ontdekt en kregen betekenis dankzij een bepaalde maatschappelijke constellatie. Dat geldt ook voor verkennerij en padvinderij. Beide bevatten in oorsprong nationalistische en zelfs fascistoïde elementen met hun nadruk op gezag en hiërarchie, militarisme en vaderland. Baden Powell, de oprichter (zelf generaal), heeft deze beweging gesticht vanuit een bepaald maatschappij- en geschiedenisbeeld: hij was overtuigd van het verval van het Westen, van zijn verslapping en decadentie. Hij streefde naar regeneratie en herstel van een gezonde samenleving door het opvoeden van jongens tot flinkheid, kameraadschappelijkheid en sportiviteit. Het buitenleven, kennis van de natuur en het dierenleven (onder anderen geïnspireerd door indianen), het zich kunnen behelpen zonder de middelen van de beschaving namen daarin een centrale plaats in. Een van zijn motieven was overigens om de mannelijke jeugd er al heel jong op voor te bereiden later een goed soldaat te worden en daardoor het Brits imperium te kunnen verdedigen. (p.129,8)

Hij gaat door om te laten zien hoe deze zelfde thema’s terug te vinden zijn in de radicale ecologie en de filosofie van Thoreau:

Ook [in de filosofie van Thoreau] verschijnt bet bos als een toevluchtsoord tegen het opdringen van een materialistische en technologische maatschappij, maar in dit geval buiten enig nationalistische kader. De mens zou, op straffe van ondergang, moeten leren zichzelf grenzen te stellen en zou zijn onmatig humanisme, zijn zelfverabsolutering, moeten corrigeren. Wanneer de oerwouden genadeloos gekapt worden, de verwoestijning van de aarde toeneemt, als de bossen van Europa beginnen te sterven door vervuiling en zure regen, dan wijst dat erop dat er ook iets mis is met de mens zelf en dat er een radicale wending en heroriëntatie van ons allen nodig is. Menselijke cultuur, ooit schuchter begonnen op een open plek in het oerwoud, heeft geleidelijk de bomen teruggedrongen en de laatste bossen in reservaten ondergebracht; daardoor heeft ze haar oorsprong vergeten. Misschien was het beter geweest dat de menselijke aanwezigheid op aarde altijd was beperkt gebleven tot een open plek in het bos! (p.130,7)

Wijze woorden! Onze ‘gedachtenwandeling’ rond de thema’s bos, natuur en nazisme brengt ons eindelijk (en misschien onvermijdelijk) uit bij de filosoof Martin Heidegger, die niet alleen heel erg natuur- en bosgezind was, maar ook een overtuigde nazi:

Het is waarschijnlijk geen toeval dat de wijsgeer die op fundamentele manier de geest van de moderne, technische beschaving heeft bekritiseerd, iemand was die sterk ‘bosgezind’ was en die een groot deel van zijn leven op een afgelegen plek in het Zwarte Woud heeft gewoond: de Duitser Martin Heidegger. Door zijn kritiek op het berekenende denken dat uit is op beheersing van de wereld, op ons antropocentrisme, door zijn oproep tot ‘aandachtig’ denken en verwijlen bij de dingen – soms herinnerend aan oosterse spiritualiteit -, tot het indachtig zijn van onze oorsprongen en door zijn gevoel voor natuur en landschap, staat zijn filiosofie dicht bij de ideeën van de radicale ecologen, die zich trouwens soms op hem beroepen. (p.131,2)

Lemaire laat zien dat Heidegger zijn inspiratie zoekt zowel bij de pre-Socratische Grieken als bij de Duitse traditie van ‘woudgezindheid’, en merkt op dat ‘Lichtung’, het begrip dat hij gebruikt voor ‘waarheid’ (of ‘onverborgenheid’), eigenlijk een open plek in het bos betekent – waarmee wij even terug zijn bij het begin van onze ‘gedachtenwandeling’. Hij gaat door, om te praten over “de hachelijke kwestie van Heideggers betrokkenheid bij het nazisme”, en komt tot een conclusie die opvalt door een ondubbelzinnigheid die men zelden tegenkomt in deze context:

Het lijkt mij al te simpel om diens betrokkenheid af te doen als opportunisme of politieke naïeveteit. De beslissende vraag is of er een intrinsiek verband bestaat tussen (elementen van) Heideggers filosofie en de nazi-wereldbeschouwing. Zijn verdedigers ontkennen dit en menen dat zijn tijdelijke sympathie voor het nationaal-socialisme uitwendig is gebleven aan zijn wijsbegeerte. Ik zelf ben evenwel de tegengestelde mening toegedaan. Zowel het nazisme als Heideggers denken is een reactie op de zich doorzettende moderne technische wereld, beide streven naar een nieuwe mens en naar regeneratie uit een zeker ‘verval’. In beide speelt ook de toewending tot natuur en (Duitse) mythologie een belangrijke rol, beide hebben kritiek op de aard van de moderne rationaliteit. Heidegger heeft aanvankelijk van het nazisme de vernieuwing en revitalisering van de Europese cultuur verwacht die hij als denker eveneens nastreefde.
Het is te simplistisch om het nazisme af te doen als een monstrueuze aberratie in de Europese geschiedenis, opgekomen dankzij de demonische persoonlijkheid van Hitler. Bijna al zijn elementen kwamen in andere contexten en andere landen ook voor. Het is de combinatie ervan en hun verabsolutering en mystificatie die het nazisme heeft gemaakt tot de perverse beweging die Europa heeft geteisterd. Tevens is het nazisme natuurlijk ook een – aggressief-perverse – variant van de al sinds de negentiende eeuw bestaande zoektocht van Duitsers naar hun identiteit als natie, een zoeken dat alles te maken heeft met Duitslands specifieke historische positie in Europa. Opvallend is daarbij dat Duitsers het idee hebben opgevat van een bijzondere opdracht of bestemming die het Duitse volk zou hebben. Daarvan klinkt ook nog iets door bij Heidegger en ook al bij Nietzsche […] (p.132,9)

Lemaire merkt op dat “De reserve die Heidegger koestert tegen de geest van de moderne tijd blijkt ook uit zijn voorkeur om op het platteland te wonen […] en zijn liefde voor het wandelen” (p.134,0) en dat drie van de meest radicale critici van de moderne tijd (Rousseau, Thoreau en Heidegger) gepassioneerde wandelaars en natuurliefhebbers waren. Hij merkt ook op dat de Westelijke filosofie vanaf het begin altijd een stedelijke activiteit is geweest, wat wel heel anders was in het oosten:

In het oude India was dat juist anders; daar bestond de traditie dat wijzen zich in het woud terugtrokken. In het avondland daarentegen waren het veeleer dissidenten of/en zonderlingen die zich zo ver van de steden, de centra van beschaving, ophielden. In het Westen is in ieder geval het bos voor filosofen noch een plaats geweest om zich langdurig op te houden noch vormde het een thema van hun beschouwingen. Wetenschap en wijsbegeerte zijn veeleer bezigheden die men beoefent op opengekapte plekken, waar het licht van de rede heerst, waar helderheid en transparantie gelden. Het woud lijkt duistere achtergrond, obscuur oord van ononderscheidenheid, van archaïsche chaos en de woekering van het plantenrijk. Ook bij Descartes is dit schema duidelijk te vinden. In zijn befaamde Discours de la méthode duikt het woud op als metafoor voor de bedriegelijke wereld van twijfelachtige meningen, een jungle waar het methodisch denkende verstand alleen uit kan komen door in de meest rechte lijn het bos te verlaten, zoals reizigers doen wanneer ze verdwaald zijn, want dan ‘zullen ze tenslotte minstens ergens uitkomen waar ze beter zijn dan midden in het bos’ (3de deel). Het bos staat hier dus voor vooroordelen, leugens, meningen, traditie, kortom: alles wat Descartes wil overwinnen door een juist geleide rede. […]
De geometrische en rationele geest van Descartes voelt zich het meest thuis in de stad of de lege vlakte en de woestijn waar de rechte lijnen van de meetkunde geen obstakel ontmoeten. Door het succes van de natuurwetenschappen, waarvan de theoretische basis door de Franse wijsgeer is gelegd, en hun toepassing in de moderne technologie, heeft de bosvijandige geometrische geest de kans gekregen om steeds sterker haar stempel op de wereld te drukken. Een van de gevolgen daarvan is ten slotte de milieucrisis. Deze wijst ons op de grenzen van een bosvijandig denken. Daarom moeten we in plaats van een methode te volgen die uit het woud leidt, zoals Descartes deed, de weg terug zien te vinden naar het bos toe, een weg die ons in het hart van het bos voert. Op deze weg die ons herinnert aan de vergeten en veronachtzaamde dimensie van de wereld, kan met name de ecologie ons gidsen. Tussen het klassieke rationalisme en de ecologie, die overigens voortkomt uit de natuurwetenschappen, bestaat de grootst denkbare tegenstelling. Want de ecologie is, hoewel rationeel, juist een ‘bos-denken’ dat een methode toepast die in staat is de rijkdom en complexiteit van de climaxvegetatie, die het bos is, enigszins te begrijpen en te respecteren. Het gevestigde rationalisme is het meest geschikt voor vlaktes en woestijnen, waar rechtlijnigheid en helderheid het meest op hun plaats zijn. Een bos-denken daarentegen laat zich leiden door gebogen lijnen en meanders, het aanvaardt het halfduister en de labyrintische complexiteit en veelzinnigheid van het levende. (p.134,5)

Hij sluit af als volgt:

In het bos stuiten we soms op open plekken. Maar er bestaat een wezenlijk onderscheid tussen open plekken die door mensen zijn gekapt en andere, die op natuurlijke manier tot stand komen. De eerste zijn het begin van ontbossing geweest, de vroegste schreden op weg naar de vestiging van het rijk van de mens, uitmondend in een rechtlijnig rationalisme en soms begeleid door de vorming van de woestijn. Maar de laatste zijn de plekken die voor een vroeger bewustzijn een zekere betovering bezaten, omdat zich daar iets openbaarde van het mysterie van het leven en men de aanwezigheid kon voelen van een andere wereld. (p.136,1)

In het grootste deel van dit boek vind ik dat ik behoorlijk eens ben met alles dat Ton Lemaire zegt, en zelfs in de laatste twee geciteerde stukken kan ik veel vinden om mee eens te zijn, maar toch vind ik dat hij hier een heel gevaarlijke kant opgaat. Alles dat wij weten (of ooit kunnen weten) over de wereld is het resultaat van de informatie die ons via onze zintuigen bereikt èn de interne (geestelijke en emotionele) processen waarmee wij deze informatie verwerken. In de mate waarmee wij rationele denkprocessen gebruiken in onze interactie met onze omgeving, in plaats van alleen onze emoties, kunnen wij intelligent worden genoemd. Dat geldt ook allemaal voor alle andere dieren, maar sinds het ontstaan van de mens hebben wij onze geestelijke capaciteiten enorm ontwikkeld, met het resultaat dat wij veel beter in staat zijn om onze omgeving te begrijpen, te gebruiken en te beïnvloeden dan zelfs de intelligentste van de andere dieren. Een belangrijk deel van deze ontwikkeling bestaat uit het bewust worden van de manier waarop onze denkprocessen gemengt met, en beïnvloed door, onze emoties kunnen zijn, en van de vele drogredenen en andere valkuilen waaraan ze ten prooi kunnen vallen. In het bijzonder sinds het begin van de Griekse filosofie (maar ongetwijfeld al lang daarvoor) is de mens dus bezig om wat wij nu de logica en de rationaliteit noemen te ontwikkelen: een vorm van geestelijke discipline, een verzameling goede mentale gewoontes om de valkuilen van de menselijke denkprocessen te omzeilen en tot een betrouwbaar resultaat te leiden. In de laatste paar eeuwen, dankzij mensen als Hume en Descartes, is dit in een stroomversnelling gekomen, waardoor wij de wetenschappelijke methode hebben ontwikkeld: het beste gereedschap dat wij tot nu toe hebben om betrouwbare (en dus nuttige) kennis over de wereld, inclusief onszelf, te vergaren.

Het valt niet te ontkennen dat wij, als soort, er een grote puinhoop van hebben gemaakt. Wij hebben elkaar en de andere dieren vreselijke dingen aangedaan, en zijn nu goed op weg om onze mooie planeet onbewoonbaar te maken. Een van mijn favoriete grapjes (één, vrees ik, met een groot waarheidsgehalte) luidt als volgt:

Twee planeten ontmoeten elkaar in de ruimte. Zegt de eerste: “Wat zie jij er slecht uit! Wat scheelt er?” Zegt de tweede: “Nee, het gaat helemaal niet goed. Ik heb een vreselijke Homo Sapiens opgelopen” Zegt de andere: “Ja, dat is afschuwelijk, heb ik ook gehad. Maar maak je geen zorgen, het gaat snel vanzelf over”.

Het valt ook niet te ontkennen dat ‘de rationaliteit’ een rol heeft gespeeld in het bereiken van deze stand van zaken, simpelweg omdat de mens zonder dit krachtig gereedschap nooit in staat was geweest om zoveel schade aan te richten. Maar om ‘de rationaliteit’ hiervoor de schuld te geven zou echt een geval zijn van de slechte vakman die zijn gereedschap de schuld geeft!

En toch is dit precies waar Lemaire hier mee bezig is. Hij sluit zich aan bij een beweging die tenminste tot de Romantiek terug gaat, maar die steeds populairder is geworden in de laatste halve eeuw of zo. Dit is de filosofie die zegt dat ‘de rationaliteit’ ons naar Auschwitz heeft geleidt, dus moeten wij van ‘de rationaliteit’ af; wij moeten terug en iets herontdekken dat door de komst van ‘de rationaliteit’ verloren is gegaan: wij moeten misschien ‘ons hart’ of onze gevoelens volgen. Nee, de misdaden van de nazi’s kwamen niet (zoals vaak wordt gezegt) door het feit dat ze tè rationeel waren, maar eerder omdat zij niet rationeel genoeg waren, of hun rationaliteit op de verkeerde manier hebben gebruikt. Hun rationaliteit heeft er alleen voor gezorgd dat ze hun misdaden op een bijzonder efficiënte manier hebben kunnen plegen! Het is interessant in deze context, en, meer in het algemeen, in de context van dit hele hoofdstuk, om op te merken dat Bertrand Russell de nazi’s als “antirational and anti-scientific” beschouwde, en als the producten van Romanticisme en Idealisme. Hij zag een direkte lijn tussen Rousseau en de Duitse Romantici, via mensen als Fichte en Nietzsche, naar de nazi’s – een lijn, trouwens, waar de filosofie van Heidegger ook perfekt op zou passen!

Nee, de echte verklaring voor de misdaden van de nazi’s ligt veel dichterbij het idee dat zij tè veel hun gevoelens hebben gevolgd! Het grote probleem met ‘de rationaliteit’ is namelijk dat de mens dit krachtig gereedschap bijna uitsluitend heeft gebruikt om te weten te komen hoe hij dingen moet doen, maar niet wat hij moet doen en wat het doel is van zijn handelen. Over het algemeen werd dat soort vraag nauwelijks gesteld, want de relevante beslissingen werden genomen op basis van de wet van de sterkste, en inzover ze wèl werden gesteld, werden ze meestal overgelaten aan de religie en de politiek, gebieden die veel meer een reflectie zijn van de gevoelens van de mensen dan van enige vorm van rationaliteit. Met andere woorden, de mens heeft zich vooral bezig gehouden met de vraag ‘hoe kunnen wij de wereld vormgeven’ zonder zich ooit af te vragen ‘waar willen wij naartoe?’ of ‘in wat soort wereld willen wij eigenlijk leven?’. Als hij meer rationeel had gehandeld, waren die laatste vragen als eerste gesteld!

Eigenlijk is Lemaire hier heel stom bezig, op een manier die niet zò ver verwijderd is van het soort primitief ‘associatiedenken’ waar ik het boven over had. Hij constateert dat Descartes het bos gebruikt als metafoor voor vooroordelen, leugens, twijfelachtige meningen, traditie en bijgeloof, en de open ruimte buiten het bos als metafoor voor rede, verlichting, helderheid en transparantie. Dan draait hij de metafoor om en zegt zoiets als: Descartes hield duidelijk niet van bossen, terwijl wij weten dat bossen juist heel mooie plaatsen zijn – en bovendien nodig voor het goed functioneren van het leven op deze planeet – en de mens, gebruik makend van de inzichten en methoden die mede door Descartes zijn ontwikkeld, heeft het grootse deel van de bossen vernield en van het leven op aarde een puinhoop gemaakt, dus moet Descartes het helemaal fout hebben gehad! Dus zijn rede, verlichting, helderheid en transparantie verdacht, en moeten wij terug (al zal hij het nooit in deze termen uitdrukken) naar vooroordelen, leugens, twijfelachtige meningen, traditie en bijgeloof.

Lemaire heeft het over het “bosvijandig denken”, “de bosvijandige geometrische geest” en “een rechtlijnig rationalisme”. Hij heeft het over het klassieke of het gevestigde rationalisme, met de implicatie dat wij een nieuw soort rationalisme moeten ontwikkelen: een ‘bosvriendelijk’ rationalisme dus. Volgens hem “Het gevestigde rationalisme is het meest geschikt voor vlaktes en woestijnen, waar rechtlijnigheid en helderheid het meest op hun plaats zijn. Een bos-denken daarentegen laat zich leiden door gebogen lijnen en meanders, het aanvaardt het halfduister en de labyrintische complexiteit en veelzinnigheid van het leven.” Hij ziet een grote tegenstelling tussen “het klassieke rationalisme” en de ecologie, die volgens hem een ‘bos-denken’ toepast om de “labyrintische complexiteit en veelzinnigheid van het leven” te begrijpen. Toch is de ecologie gewoon een wetenschap dat de wisselwerking en de relaties tussen organismen, populaties of levensgemeenschappen en het niet-biologische milieu bestudeert, door het gebruik van volstrekt normale wetenschappelijke methoden, en heeft niets te maken met een of ander ‘nieuw soort rationalisme’.

Ik zou de laatste zijn om te beweren dat ‘de rationaliteit’ nu het hoogtepunt van zijn ontwikkeling heeft bereikt en dat geen verdere vooruitgang mogelijk is. In de logica, bijvoorbeeld, die een belangrijk onderdeel van ‘de rationaliteit’ vormt, is er enorm veel vooruitgang gemaakt in de laatste paar eeuwen, en wij hebben geen reden om te denken dat die ontwikkeling nu tot zijn einde is gekomen. Toch is er absoluut geen reden om te denken dat ‘de rationaliteit’ niet in staat zou zijn om ‘de labyrintische complexiteit en veelzinnigheid van het leven’ te begrijpen. Lemaire heeft het over “de bosvijandige geometrische geest” en “een rechtlijnig rationalisme”. Om even in hetzelfde soort metafoor te blijven, een geometrie die alleen met rechte lijnen kan werken zou niet zeer nuttig zijn: wij zouden daarmee niet eens de oppervlakte van een cirkel of het volume van een sfeer kunnen berekenen, laat staan mensen op de maan zetten! Daarom heeft de geometrie zich verder ontwikkeld!

Maar er zijn geen verschillende soorten rationaliteit. De rationaliteit is eenvoudigweg een poging om zo goed (d.w.z. zo helder, rigoureus en onbevooroordeeld) mogelijk te denken, zo veel mogelijk rekening houdend met de manieren waarop de werking van onze geest de waarheid kan vervormen. Nee, laten wij duidelijk zijn, het alternatief voor ‘de rationaliteit’ is niet een ander soort rationaliteit, maar juist al die dingen die Descartes wil bestrijden. Wij zien steeds weer dat mensen die aan magisch denken lijden, of om welke reden dan ook bijzonder gehecht zijn aan ‘vooroordelen, leugens, twijfelachtige meningen, traditie en bijgeloof’, eerst alles aan doen om te bewijzen dat hun ideeën door de rationaliteit en de wetenschap ondersteund worden, maar zodra het blijkt dat deze juist een bedreiging vormen voor hun ideeën, ‘de doelpalen verplaatsen’ en de rationaliteit en de wetenschap zelf in twijfel trekken. De Katholieke kerk bijvoorbeeld, na eeuwen te hebben beweerd dat geloof in God volstrekt logisch en redelijk was, en zelfs dat het bestaan van God logisch bewezen kon worden, moest eindelijk toegeven dat dit niet zo is, en besloot eenvoudigweg dat onze menselijke reden en logica te beperkt zijn om God te bevatten. De Christelijke filosoof Søren Kierkegaard was eerlijk genoeg om toe te geven dat het Christendom alleen op een subjectief niveau waar is (iets dat weinig Christenen zouden doen!), maar dan verhoogde hij de status van dat subjectief niveau om het belangrijker dan de objectiviteit te maken. Ook zien wij steeds weer hoe de aanhangers van verschillende bijgeloven en pseudowetenschappen, wanneer goed ontworpen, goed uitgevoerde en grootschalige experimenten blijken te bewijzen dat er niets klopt van wat ze ‘uit hun eigen ervaring weten’, in plaats van aan hun eigen ervaring te twijfelen, beslissen dat de huidige wetenschap, de normale statistiek en, inderdaad, ‘het gevestigde rationalisme’ te beperkt zijn om op hun specialiteit toepasbaar te zijn.

Nee, sorry meneer Lemaire, maar hoewel ‘de rationaliteit’ in grote mate verantwoordelijk is voor de vreselijke staat waarin de wereld zich nu bevindt, zij is ook onze enige hoop om de wereld te redden! Een reactionaire poging om terug te gaan naar ‘betovering’, ‘mysterie’ en ‘de aanwezigheid van een andere wereld’ zal ons zeker niet helpen! Want er is geen ‘andere’ wereld, geen bovennatuurlijke wereld – er is maar één natuur, die echter kan worden opgedeeld in delen die wij kennen en begrijpen en andere delen die wij (nog) niet kennen en begrijpen. En ‘mysterie’ is gewoon een ander woord voor onwetendheid – en onwetendheid is nooit goed.

•••••••••••••••••••••••••••••

Door het hele boek hebben wij veel kunnen lezen over hoe de landbouw en het boerenleven bijna onherkenbaar zijn veranderd – en lang niet altijd ten goede! – in de loop van de laatste paar eeuwen. Het gaat voornamelijk over Nederland en Frankrijk, dus onder het kapitalisme, maar in hoofdstuk XIII Alentejo zien wij dat het niet veel anders was tijdens het kortstondige ‘communistische experiment’ na de revolutie van 1974 in Portugal. Lemaire gaat werken op een van de vele communistische coöperaties die door landbouwarbeiders zijn opgezet nadat ze het land van de grootgrondbezitters hebben bezet en overgenomen. Hij komt er snel achter dat wat respect voor de natuur betreft, de nieuwe communistische boeren niet anders zijn dan hun kapitalistische collega’s in het Noorden. Het gaat niet meer over ‘de winst’ maar nog altijd over ‘de productie’:

Wanneer ik […] meer van het leven van deze gemeenschap meemaak, realiseer ik me dat ook en juist het communisme een variant is van het productivisme en eigenlijk een snelle weg wil zijn naar de modernisering. (p.170,7)
Want voortgedreven door de op zich volstrekt terechte wens hun levensstandaard te verhogen en zich als communistische coöperatie war te maken, zullen de boeren hier zich waarschijnlijk pas in laatste instantie om de natuur bekommeren en zullen ze zo alle fouten maken die het rijke Noorden heeft gemaakt en trouwens nog steeds maakt. Ze zullen rijker worden, er zullen machines en auto’s komen, wegen zullen worden aangelegd en verhaard en in hetzelfde tempo zullen natuur en landschap verarmen, en pas als er al veel verdwenen is, zal men op het idee komen om natuur en landschap enigszins te gaan beschermen. (p.171,9)

Hoewel het duidelijk is dat Lemaire het communisme niet als de magische formule ziet om al onze problemen op te lossen, is het misschien toch niet verrassend dat hij in dit hoofdstuk meer van een politiek bewustzijn laat blijken dan waar dan ook in het book, bijvoorbeeld wanneer hij Rousseau citeert:

‘… de eerste die, nadat hij een stuk grond had omheind, op het idee kwam te zeggen: “Dit is van mij,” en mensen aantrof die simpel genoeg waren om hem te geloven, was de werkelijke grondlegger van de politieke samenleving.’ Hoeveel ellende, voegt Rousseau eraan toe, zou het menselijk geslacht niet bespaard zijn gebleven als iemand de palen had uitgetrokken en zou hebben geroepen dat de vruchten van iedereen zijn en dat de aarde niemand toebehoort! (p.173,8)

Inderdaad! Jammer genoeg komt er een treurig einde aan het Portugese ‘communistische experiment’. De landhervorming van na de revolutie wordt grotendeels ongedaan gemaakt en worden veel van de coöperaties (waaronder die waarop Lemaire had gewerkt) teruggegeven aan de grootgrondbezitters…

•••••••••••••••••••••••••••••

In hoofdstuk XIV Vogelen in Griekenland vertelt Lemaire, onder meer, hoe hij kennis maakte met een herder, die een tijd lang iedere dag langs zijn tent liep, met zijn kudde en zijn honden, en even stopte om iets te drinken en te praten. Hij wordt bewust van het groot verschil tussen zijn eigen leven en dat van deze herder:

Ik realiseerde me wat een wereld van verschil er bestond tussen zijn leven en het onze. Wij, mensen uit het rijke Noorden, voor ons plezier op bezoek in zijn streek wegens natuur en landschap; hij, een arme herder die in diezelfde omgeving moest bestaan waarvan wij genoten wegens de vogelrijkdom. Voor hem waren wolven een bedreiging voor zijn kudde, voor ons waren ze interessante en spannende dieren, symbool van de wildernis die we in eigen land zo misten. Zijn beleving en beeld van de natuur waren bepaald door zijn leefwijze en zijn samenleving, net zoals de onze natuurlijk. Hoe zouden wíj de natuur ervaren wanneer we herder, wanneer we boer zouden zijn? Wiens beleving en ervaring was de rijkste, de meest intense, de meest ware? Of waren er slechts verschillende onverenigbare vormen van natuurbeleving mogelijk, corresponderend met de verschillende leefwijzen? (p.194,1)

Zulke ervaringen heb ik ook gehad, in Griekenland en elders, maar wat wil Lemaire eigenlijk hiermee zeggen? Het ligt behoorlijk voor de hand dat de beleving en het beeld van de natuur van iedere individu bepaald zijn door zijn leefwijze en zijn samenleving, dus zullen die van een arme zuid-Europese herder zeker heel anders zijn dan die van een rijke Noord-Europese stadsbewoner. En wat voor zin heeft het om etiketten op deze belevingen en beelden te willen plakken door te vragen welke “de rijkste”, “de meest intense” en “de meest ware” zijn? Wat bedoelt hij eigenlijk met “rijk”, “intens” en “waar”? Blijkbaar wil Lemaire hier iets zeggen, maar wat eigenlijk? Ik heb het gevoel dat hij wil ‘filosoferen’, en een of ander diepzinnig, algemeen toepasbaar filosofisch inzicht halen uit de feiten die hij presenteert. Maar dat lukt hem niet, en hij blijft steken op het nivo van overpeinzen, dromen en mijmeren…

•••••••••••••••••••••••••••••

In hoofdstuk XVI Sporen komt Lemaire terug naar een van de belangrijkste thema’s van het boek, namelijk de manier waarop landschappen het verleden vasthouden:

De landschappen van Europa […] zijn als het ware een palimpsest, een tekst die in vele opeenvolgende lagen steeds weer is herschreven en die moet worden ontcijferd om haar betekenissen te openbaren. Wandelen lijkt dan ook op spoorlezen, steeds attent op tekens en hiërogliefen van een vroegere bewoning.
Een landschap in Europa omvat natuur en geschiedenis tegelijkertijd, meestal op een onontwarbare manier met elkaar verweven (p.206,9)

Hij gaat verder, om te praten over hoe onze beleving van landschappen door de eeuwen is veranderd, en hoe die mogelijkerwijze in de toekomst zal veranderen door fysieke veranderingen in onze omgeving (de vergaande urbanisering bijvoorbeeld) en veranderingen in onze perceptie door de komst van bijvoorbeeld internet en virtual reality:

Het kan ook moeilijk anders of de beleving van het landschap zal veranderen doordat men dankzij film, video en internet imaginaire en virtuele landschappen kan zien en ‘bewandelen’. We hoeven allang niet meer ons huis te verlaten om de landschappen van de wereld te kunnen ervaren. Ten gevolge van de nieuwe technische mogelijkheden en de algehele mobilisering van de maatschappij is de verhouding van de mens ten opzichte van de wereld grondig aan het veranderen. De zin voor de betekenis van plekken en plaatsen kan niet dezelfde blijven in een samenleving waarin nauwelijks iemand meer echt is geworteld, waarin de topologie door de technologie is ondermijnd, waarin ook dorpen in één ‘global village’ zijn opgenomen. Er lijkt dus een transformatie plaats te vinden in het wonen, het landschap en het wandelen. […] Misschien is de wandelaar van weleer bezig verdrongen te worden door een type mens dat sterk in opmars is, namelijk de toerist, voor wie de hele wereld (pret)park, safaripark, museum of speeltuin is geworden ter bezichtiging en vermaak.
Misschien ben ik dus wel een late wandelaar in een klassieke landschapstraditie, gehecht aan beelden en belevingen die bezig zijn te verdwijnen. Voor mij betekent wandelen in een landschap in ieder geval nog een totaliteitservaring. Landschappen zijn totaliteiten van zowel zintuigelijke als van meer intellectuele aard, waarin je jezelf als wandelaar bevindt. Wij ondergaan namelijk met onze zintuigen het landschap om ons heen, maar er zit aan de landschapservaring ook een intellectuele kant in zoverre het […] tot beschouwing en overpeinzing uitnodigt. En zo’n beschouwing kan ten slotte gemakkelijk overgaan in dromen en mijmeren en op sommige ogenblikken zelfs uitmonden in een kortstondige ervaring van kosmisch bewustzijn waarin wandelaar en landschap met elkaar versmelten. (p.209,2)

Het is allemaal waar wat hij hier zegt, maar ik vind dat hij een beetje aan het overdrijven is. Hij heeft het over een transformatie in het wonen, het landschap en het wandelen die speciaal in onze tijd plaats zou vinden, maar, zoals hij vaak heeft laten zien, is het leven en daardoor het landschap altijd aan verandering onderhevig geweest. Hetzelfde geldt voor onze perceptie van onze omgeving, die altijd beïnvloed is geweest door veranderende culturele en intellectuele factoren, dus lijkt het mij redelijk om aan te nemen dat ‘het wandelen’ ook in de loop der eeuwen en millennia net zo veel is veranderd – en niet in de laatste plaats door zijn geleidelijke transformatie van een praktische activiteit, een manier om van A naar B te geraken, in een activiteit waarvoor men kiest wegens zijn intrinsieke kwaliteiten en het plezier dat men eraan beleeft.

De manier waarop men het landschap of een wandeling beleeft verschilt ook heel veel tussen individuen. Het is waar dat beide zowel zintuigelijke als intellectuele kanten hebben, en het is duidelijk dat iemand als Ton Lemaire, die meer gedetailleerde kennis heeft dan de gemiddelde mens van geschiedenis en van de planten- en dierenwereld, ook meer heeft aan de intellectuele kant van het wandelen, en meer geneigd is tot beschouwing, overpeinzing, dromen en mijmeren – vandaar dit boek! Het zou een vreselijke verarming van het leven zijn en een vreselijk verlies voor ons soort als mensen, door veranderingen in omgeving en perceptie, niet meer in staat zouden zijn om die momenten van ‘kosmisch bewustzijn’ te ervaren waar Lemaire het af en toe over heeft in dit boek. Maar ik, persoonlijk, zie geen enkele reden om zo pessimistisch te zijn!

•••••••••••••••••••••••••••••

Details:

author Ton Lemaire
title Wandelenderwijs; sporen in het landschap
first published 1997
language Nederlands
publisher / version read Ambo, Amsterdam
ISBN 90-263-1487-6
read 18/06/2015 – 07/07/2015

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s